Die stad beschreven in het vorige bericht, alweer enige tijd geleden? Wel, daar ben ik nu!
Met behulp van mijn vader ben ik afgelopen vrijdag ingetrokken in een pittoresk pand met een krakende plankenvloer en communale wastafels verborgen in gangkasten. Nu, een week later, is misschien een mooi moment om wat te schrijven over mijn ervaringen tot dusver: over Belgen, over Gent*, over de universiteit en over mijn huis.
Om met dat laatste te beginnen: mijn kamer ligt in het centrum van de stad. Zo erg in het centrum heb ik nog niet eerder gewoond. Dronken gelal is ‘s avonds met enige regelmaat te horen (je went er snel aan), en overdag staan er natuurlijk ellenlange rijen voor alle geldautomaten bij mijn huis. En het is belangrijk om genoeg contant mee te nemen als je nog niet weet welke winkels allemaal Nederlandse kaarten accepteren! Ook overdag is het rumoeriger. Hoewel ik meestal in steden heb gewoond – alleen Twello en Kanne vormden korte uitzonderingen – besef ik nu dat ik nog niet eerder echt ín een stad heb gewoond. Het maakt de beschrijvingen uit het verleden, over luchtvervuiling, geluidsoverlast, en vervelende buren begrijpelijker. Gelukkig kan ik er goed mee overweg.
Van mijn ganggenoten heb ik ook geen last, ze zijn eerder te teruggetrokken dan te overheersend. Een van hen bleek zelfs verbaasd toen ik me wilde voorstellen. Misschien is de uitgestoken hand in Vlaanderen nog niet bekend. Een andere ganggenoot initieerde zelf het contact: hij wilde weten waar de douche is. Dat was helaas niet zo makkelijk – ‘Er is ook nog een gebouw aan de andere kant van de binnenplaats?’ vroeg hij zich verbaasd af. Dus heb ik het hem maar getoond. Want ja, dit gebouw heeft een binnenplaats. Desondanks is het geen klooster maar een gewoon (en oud) huis, met houten vloeren en plafonds. Ik vermoed dat het oorspronkelijk uit zeer veel verschillende panden bestond (minimaal zeker al drie), die uiteindelijk in de handen van één familie zijn beland. Een geschikte plaats dus, om stadsgeschiedenis uit te schrijven.
Dit semester volg ik drie cursussen, waaronder twee onderzoeksseminaries. Deze vakken zijn, afgaand op de inleidende colleges, goed vergelijkbaar met onze Nijmeegse onderzoekscolleges. Bij middeleeuwse geschiedenis gaan we zeer diep in op twee verschillende bronnen, die we daarbij in hun context plaatsen en van verschillende kanten bekijken. Het gaat om een kroniektekst over St Truiden – waar we ook naar op excursie zullen gaan, zeer exotisch – en een rekeningenboek van een Gentse patriciër uit de 15e eeuw. Dit lijkt mij wel een verbetering in vergelijking met de Nijmeegse vakken, waar het allemaal wat bij de oppervlakte bleef. Het sluit ook echt aan bij lopende onderzoeken! Het onderzoekscollege stadsgeschiedenis is wat dat betreft beter vergelijkbaar met de gebruiken in de Erasmustoren. We onderzoeken een thema – migratie – door de eeuwen heen. Dat sluit niet direct aan bij mijn scriptieonderwerp, maar hopelijk valt er toch nog genoeg nuttigs te leren. Het onderwerp is in ieder geval tijdloos.
Het laatste vak dat ik dit semester volg is Theorie van de geschiedenis, een verplicht vak, en dus in een grote collegezaal met – naar Nijmeegse begrippen – zeer veel studenten. Niet alleen het aantal verschilde, maar ook de sfeer. De zaal was eigenlijk te groot voor het aantal studenten, en het merendeel zat achterin, zodat de eerste vijf of meer rijen leeg bleven. Het gevolg laat zich raden: rumoer! In Nijmegen wezen veel docenten ongehoorzame leerlingen terecht of stuurden ze zelfs de zaal uit, maar daar leek hier geen beginnen aan. Hoewel het college over het algemeen goed te volgen was, was er constant gefluister. Toen de docent zijn betoog wilde afronden was het niet langer mogelijk om nog iets te horen, want iedereen ging praten en inpakken. In Nijmegen zorgde een soortgelijk incident (in dat geval ontstaan door spraakverwarring) eens voor een enorme boze middeleeuwendocente, maar hier legde de docent zich er maar bij neer…
Inhoudelijk is het vak anders dan de Nijmeegse theorie vakken. We gebruiken een artikel van Peter Burke als basis. Hierin geeft hij een beschrijving van tien punten die de westerse geschiedopvatting typeert. Vervolgens gaan we in groepjes bekende historici** (zowel Westers als niet-Westers en van alle tijden) hiermee vergelijken om te zien of ze aan deze definitie voldoen. Het lijkt dus alsof het vak een duidelijke structuur heeft! Dit in tegenstelling tot onze Nijmeegse theoriecursussen. Gelukkig was er nog wel een zeer vreugdevolle verrassing, want naast een aantal artikelen wordt ook hier het béste geschiedenistheoriehandboek ter wereld als extra stof aangeraden. Iedereen uit Nijmegen kent mijn grote liefde voor het onvolprezen meesterwerk van Chris Lorenz, waarin hij geschiedtheoretische principes in zoveel mogelijk woorden uitlegt. Mijn waardering voor deze auctoritas was zelfs zo groot dat ik, direct na het behalen van de cursus geschiedtheorie in Nijmegen, ook anderen wilde laten profiteren van het gedachtegoed van professor Lorenz, zodat ik het voor een vriendenprijsje afstond aan DeSlegte. Gelukkig hebben meerdere vrienden uit het thuisland mij al hun exemplaar ter lening aangeboden, waarvoor dank!
Het laatste vak dat ik hier ga volgen, maar dan het komende semester, is oorkondeleer. Daarover later meer (bijvoorbeeld als ik het daadwerkelijk volg). Dit is voor vanavond even genoeg tekst, zowel voor jullie als voor mij. Morgen of in het weekend zal ik nog wat meer plaatsen, bijvoorbeeld over de plaatsen die ik hier tot nu toe heb bezocht met bijbehorende foto’s!
* Hent.
** Historitsjie.

















