Een blijvende opdracht?

Nederlandse zending en missie in Nederlands-Indië en Indonesië, ca. 1930-1963

Inleiding

Kort na de Tweede Wereldoorlog werd de republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland, voorheen de koloniale heerser van deze archipel, was eerst niet bereid deze de facto zelfstandigheid te erkennen. Militaire campagnes werden ondernomen, de zogenaamde politionele acties, die van buitenaf voornamelijk kritiek oogsten en de Nederlandse positie weinig goeds deden. In 1949 werd uiteindelijk de onafhankelijkheid van het voormalig Nederlands-Indië erkend. In de jonge republiek was er een sterke afkeer voor Europese, met name Nederlandse, inmenging en instituten. Vanaf het midden van de jaren ’50, toen Indonesië steeds nadrukkelijker aanspraak begon te maken op Nieuw-Guinea, dat toen nog Nederlands was, werd het Nederlandse staatsburgers zelfs verboden nog in de republiek te werken. Ook Nederlandse instituten werd het steeds moeilijker gemaakt.

Onder deze instituten bevonden zich zendings- en missieorganen, elk op een eigen manier. De organisatorische structuur van de rooms-katholieke kerk in het algemeen en de missie in het bijzonder droeg ertoe bij dat de missionarissen van zeer internationale afkomst waren. De missie werd hoofdzakelijk vanuit de katholieke ordestructuur geregeld. Dit betekende dat iedere kloosterorde die missie wilde bedrijven dit voor een deel naar eigen wens kon doen, zodat er een versnippering ontstond die bijna protestants aandoet.

De protestantse zending was ingewikkelder georganiseerd. Hoewel een vooroordeel hierover stelt dat de zending in Nederlands-Indië vooral door Nederlanders bedreven werd, was een zeer groot deel van de zendelingen, zeker in de 19e eeuw, internationaal. Met name uit het Duitse Rijnland kwamen veel missionarissen.1 De versnippering van de protestantse kerk in verschillende stromingen, waarvan de hervormde en gereformeerde kerken de belangrijkste zijn, droeg ook bij aan een relatief pluriforme identiteit van de zending. Naast het strikt religieuze doel van zending en missie had zij een sterk emanciperend aspect; naast kerken werden al snel ook in naam religieuze onderwijsinstellingen en hospitalen opgericht.

Het historische onderzoek naar missie en zending is problematisch, mede door de bovengenoemde versnippering van de organisatiestructuur. Veel academisch werk is verricht door mensen die zeer nauw betrokken waren bij de zending, zoals Hendrik Kraemer, een zendeling die voor de oorlog zeer grote invloed had op het debat over Indonesische onafhankelijkheid binnen de hervormde kerk. Kraemers invloed strekte ver en was ook te merken binnen de gereformeerde kerk én de Indonesische nationalistische beweging.2 Kraemer, evenals theologen en historici na hem, benadrukken de oorspronkelijke politiek neutrale instelling van de zending maar benoemen ook haar bijdrage aan de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging.3

De reactie van de zending in het bijzonder en de protestantse kerken in het algemeen is door Tiat Han Tan in 1967 onderzocht. Hij kwam tot de conclusie dat de christelijke partijen binnen Nederland zeer terughoudend reageerden op de Indonesische onafhankelijkheids-beweging en weigerden er serieus mee in gesprek te gaan. De zendelingen, die voor het merendeel een ander politiek standpunt bepleitten, werden genegeerd uit politiek belang: men vreesde dat men stemmen zou verliezen door Nederlands-Indië op te geven.4

Ook binnen de rooms-katholieke kerk is onderzoek verricht naar de eigen missie-geschiedenis, maar deze is nog problematischer omdat deze publicaties meestal door ordes worden uitgegeven en de katholieke missie niet in haar geheel beschrijven; men beperkt zich vooral tot de eigen orde of soms zelfs tot een enkele missionaris.5 Wetenschappers die de missie in breder kader onderzoeken, zoals J. Wils, zijn eerder uitzondering dan regel en sluiten zich dan deels aan bij de protestantse traditie: missie, evenals zending, wordt weergegeven als een organisatie die zijn doel bereikt heeft en er op gericht is een nationale Indonesische kerk binnen een internationale gemeenschap te creëren.6 Bij de missie wordt de opbouw van een autochtone clerus in Azië door Tiny Muskens vooral als een verdienste van paus Pius XI beschouwd.7

Nederlandse wetenschappers hebben voornamelijk de houding van zending en missie vóór of hun ideologische betrokkenheid bij de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging onderzocht, soms, zoals Algra, met een voornamelijk nostalgische en verheerlijkende insteek8 en vaak met een duidelijke ideologische betrokkenheid, zoals bij Enklaar duidelijk in de titel van zijn boek, ‘Onze blijvende opdracht’.9 Aan de ene kant is dit logisch, omdat de onafhankelijkheid van Indonesië veel veranderingen teweeg heeft gebracht; aan de andere kant is het echter niet zo voor de hand liggend, omdat zendelingen als Kraemer en onderzoekers als Wils zich erop beroepen dat de zending een heel andere doelstelling had dan de Nederlandse overheid. Volgens hen zetten zending en missie nieuwe gemeentes en parochies op die onafhankelijk van Nederlandse ondersteuning het bekeringswerk voort zouden kunnen zetten en onderdeel zouden moeten worden van een wereldwijde kerkelijke beweging. Zij concluderen dat dit gelukt is en zij dus hun doel bereikt hebben, wat vaak geïllustreerd wordt met cijfers van actieve clerici in Indonesië. Dit biedt echter geen bevredigend antwoord op de vraag welke banden tussen Nederlandse zending en missie wel zijn blijven bestaan en of, en zo ja hoe, Nederlandse zendingsorganisaties zich direct of indirect bleven mengen met Indonesische zaken. Daarnaast lijkt het geen recht te doen aan de nevenfunctie van met name de zending, die er deels op gericht was de Europese kolonisten te ondersteunen en op het goede, deugdelijke, pad te houden.

Een volgend probleem wordt gevormd door de vaak politieke manier waarop men de zending betrekt bij de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Waar historici als Tiat Han Tan en P. N. Holtrop10 de zending bekijken op een politieke manier verliest men het hoofddoel van de zending uit ogen: namelijk het bekeringsaspect; tegelijkertijd bekijken wetenschappers die de sociaalreligieuze kant van de zending belichten de zaak meestal eenzijdig door de periode na de tweede wereldoorlog, met uitzondering van Nieuw-Guinea, over het hoofd te zien. Slechts zeer af en toe worden de relaties tussen zendingsorganen en Indonesië door historici behandeld, bijvoorbeeld door Th. van den End, maar dan wordt deze in het kader van de Nederlandse zending in het algemeen (en dus wereldwijd) beschouwd en niet als een specifiek onderwerp op zich.11

Ten slotte moet vermeldt worden dat het onderwerp van zending en missie in Indonesië in de Nederlandse geschiedschrijving weinig aandacht heeft gekregen. Algemene werken behandelen Nederlands-Indië vooral met betrekking tot de immigranten die na de onafhankelijkheid naar Nederland kwamen. Missiologische tijdschriften geven bijna geen aandacht aan de missiegeschiedenis en algemene werken over de verhouding tussen Indonesië en Nederland behandelen de zending nauwelijks.12 Zo noemt J. A. A. van Doorn in De laatste eeuw van Indië de zending slechts één keer, maar dan behandelt hij in het specifiek de zending op Bali.13 Waarschijnlijk is dit te verklaren door de huidige desinteresse in georganiseerde religie en spreekt het missionaire verleden van Nederland slechts weinigen aan. Een documentatieblad opgericht om het historische aspect van de Nederlandse zending en missie door de eeuwen heen te onderzoeken hield het slechts tien jaar uit.14

Concluderend kunnen wij stellen dat er een groot tekort is aan een algemene historische beschouwing met betrekking tot de afbouw van de Nederlandse zending in voormalig Nederlands-Indië. Buiten religieuze kringen is het onderwerp nauwelijks onderzocht; door religieuzen zelf wordt vooral de emanciperende factor van het zendings- en missiewerk benadrukt, een aspect dat misschien duidelijker naar voren komt in contemporaine publicaties dan in daadwerkelijke verhoudingen tussen kerk en kolonie. In dit artikel zal ik proberen aan te tonen hoe Nederlandse zending en missie in Indonesië na de Tweede Wereldoorlog veranderden. De nadruk ligt hierbij op de vraag of men in de Nederlandse zendings- en missiegeschiedenis in het door mij onderzochte tijdperk kan spreken van één of meerdere historische breuken. Ook zal ik de reactie van zending en missie op de Indonesische onafhankelijkheid vergelijken. De onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea is hierbij als cesuur gekozen omdat er daarna vanuit Nederlandse kerken geen sprake meer was van een dubbele godsdienstige en koloniale interesse en de betrokkenheid afnam.

Dit onderzoek is in twee delen opgesplitst. In het eerste gedeelte zal ik het chronologische verloop van de protestantse zending in Indonesië behandelen, in het tweede deel dat van de rooms-katholieke missie. Daarna volgt nog een conclusie waarin de twee organisaties vergeleken zullen worden.

Zending

a. Zending tot 1940

De Nederlandse zending in Indonesië nam een echte aanvang met de oprichting van het Nederlands Zendeling Genootschap in 1797, hoewel daarvoor ook individuele zendelingen in het gebied actief waren geweest.15 In de loop van de 19e eeuw werden nog meer zendelingsgenootschappen opgericht, gelieerd aan andere protestantse gezindten, zoals de Doopsgezinde Zendingsvereniging en de Nederlandsche Gereformeerde Zendingsvereeniging. Deze scheiding was meestal gemotiveerd door theologische meningsverschillen in het vaderland, maar in de koloniale praktijk was hier weinig van te merken en was wederzijdse omgang gebruik.16 In 1929 werd de samenwerking ook officieel nauwer verbonden door de oprichting van de Nederlandse Zendingsraad, een koepelvereniging van Nederlandse zendingsgenootschappen.17 De hervormde zending bleef echter altijd met voorsprong groter dan die van de andere gezindten.

Tot diep in de tweede helft van de 19e eeuw was de verhouding tussen zendingsorganisaties en overheid stormachtig. Net als in Nederland probeerde de overheid een neutrale koers te varen, en net als in Nederland leverde dat klachten op van de kant van de gelovigen, die zich geschoffeerd voelden. Overheid en zending realiseerden zich echter dat zij elkaar konden helpen, zodat vanaf 1900 kerkelijke kritiek op de koloniale overheid verstomde en de zendingsorganisaties steeds meer subsidies begonnen binnen te halen, hoewel de neutrale positie van de regering hen alleen toestond onderwijs en medische zorg te ondersteunen. Dit was echter voldoende voor de zendelingen om zich te permitteren een minder afhankelijke positie in te nemen tegenover plaatselijke machthebbers. De overheid kreeg, naast verbetering van de levensomstandigheden, een kerkelijke ondersteuning van de ‘ethische’ politiek.18

Als het de zending enkel te doen was om zieltjes te winnen kan zij gedurende deze periode als succesvol worden beschouwd: van 55.000 protestanten in 1815 groeide hun aantal naar meer dan 250.000 in 1890 en naar 1.665.771 protestanten in 1938. Een aanzienlijk deel hiervan (568.000) was niet door Nederlandse protestanten maar door Duitsers, Zwitsers of Amerikanen bekeerd.19 De situatie werd echter gecompliceerd door de emancipatie van de inlanders, die, omdat hun onderwijspeil steeds dichter bij dat van de Nederlandse zendelingen kwam te liggen, vanaf het midden van de jaren ’20 aanspraak begonnen te maken op een zekere kerkelijke onafhankelijkheid en een actieve rol verlangden bij het bekeren van hun landgenoten. Dit zorgde ervoor dat er, eerst vanuit gereformeerde, later ook vanuit hervormde kring, gemeenten zelfstandig werden en eigen predikanten en kerkenraden kregen.20

b. Zending tot 1949

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, voor Nederland in 1940, kregen zendelingen en zendingsorganisaties grote veranderingen te verwerken. Hoewel het tot 1942 duurde voordat de kolonie door Japan werd veroverd, was communicatie tussen Nederland en Oost-Indië al snel vrijwel onmogelijk geworden, zodat een grotere religieuze onafhankelijkheid van Nederland, wellicht tijdelijk, onontkoombaar was. Zoals gezegd was men al begonnen met het emanciperen van lokale kerkgemeenten, maar dit bleef tot de aanvang van de oorlog beperkt tot Java.

Met de komst van de Japanners nam dit proces echter een abrupte andere wending: Nederlanders werden geïnterneerd en overheidsgebouwen evenals scholen en ziekenhuizen werden door de Japanners bezet.21 Daarnaast vermoordden de Japanners tientallen inlandse voorgangers, hoewel het onduidelijk is of politieke of religieuze motieven hier de aanzet toe hebben gegeven.22 Protestantse kerkelijke activiteit werd niet verboden, maar de Indonesiërs waren nu volkomen op zichzelf aangewezen. Met name op financieel gebied maakte dit de situatie zeer moeilijk: de zendingsorganisaties waren afhankelijk geweest van geld uit Nederland of van de koloniale overheid, maar met de verbinding met Nederland verbroken en een weinig coöperatief Japans bestuur moest men op zoek naar nieuwe bronnen van inkomen. Een interkerkelijk noodfonds voor de zending kon geen uitkomst bieden.23 Wel leerden de kerkgemeenschappen, ontdaan van missionarissen, kolonisten en internationale subsidiëring veel meer dan voorheen om verantwoordelijkheid te nemen en op hun eigen benen te staan. Velen zagen de komst van de Japanners zelfs als het begin van de kerkelijke onafhankelijk-heid.24

Toen het Japanse leger zich terugtrok hadden veel Nederlanders in Oost-Indië het idee dat de veranderingen van tijdelijke aard waren geweest. Men streefde een herstel van de vooroorlogse politieke en religieuze situatie na, zonder zich te realiseren dat de ervaringen van de Indonesiërs volkomen anders waren geweest dan die van henzelf. De geïnterneerde zendelingen en gemeenteleden waren geschrokken door de manier waarop de Japanners hen hadden behandeld en konden zich niet voorstellen dat de inlandse bevolking juist positieve elementen zag.25 De Republiek Indonesië, die op 17 augustus 1945 werd uitgeroepen in een verklaring opgesteld door Sukarno en Hatta, werd zelfs door zendelingen die de nationalistische beweging voor de oorlog welwillend gezind waren verworpen. De republiek was volgens hen een product van de Japanse bezetting dat even weinig respect en menselijkheid toonde als het keizerrijk had gedaan. Daarnaast was men ervan overtuigd dat de Indonesische regering de veiligheid niet kon waarborgen, een belangrijk gegeven voor individualistische zendelingen die vaak alleen reisden en daardoor kwetsbaar konden zijn.26

Hoewel de zendingsorganisaties het Nederlandse gezag hersteld wilden zien, bekrachtigden zij het idee van een opheffing van de koloniale verhouding om vervangen te worden door een gelijke positie binnen een vrijwillige unie.27 Hier was echter een duidelijk verschil merkbaar tussen de zendingsraden, die, met name in het geval van de gereformeerden, vooral de partijlijn wilden volgen aan de ene, en de zendelingen, die eigen ideeën over de voormalige kolonie hadden ontwikkeld aan de andere kant. Een bijkomende factor was het gegeven dat de gereformeerde kerk aan het einde van de oorlog een splitsing had gekend, de zogenaamde vrijmaking, die de synode tot een behoudend conservatisme had bewogen en de aandacht afleidde van het onafhankelijkheidsvraagstuk.28

In 1947 realiseerden de kerken zich dat, zolang er geen overeenkomst was met de Republiek Indonesië, zending onmogelijk was, zodat zij toch toenadering zochten tot de Indonesische nationalisten. Op de Kwitangconferentie werd bevestigd dat de zendelingen ondergeschikt waren aan de Indonesische kerkelijke colleges. Ook werd de Raad van Kerken in Indonesië opgericht, die op nationaal niveau de zending overzag.29 Desondanks werden de door de zendelingen in de oorlog verloren gebouwen door de Indonesische overheid niet teruggegeven.

Twee jaar later accepteerde ook de Nederlandse overheid het verlies van de kolonie, hoewel zij Nieuw-Guinea in hun bezit bleven houden. Dit gebied zou de aanleiding vormen van nieuwe politieke spanningen tussen de twee landen, waar ook de zending onder te lijden zou krijgen.

c. Zending tot 1963

In 1951 kwam wat betreft de hervormde kerk een einde aan de genootschappelijke zending; zendelingen werden ondergeschikt gemaakt aan de Nederlandse Raad voor de Zending. Ook begon men hogere eisen te stellen aan zendingsarbeiders, die nu een academische graad moesten bezitten maar daarnaast als predikant in Nederland actief zouden mogen zijn.30 Een verdere heroriëntering volgde vanaf het begin van de jaren ’50. De verhoudingen tussen Nederland en Indonesië verslechterden door het voortdurende bezit van Nieuw-Guinea door Nederland. Om politieke druk uit te oefen bemoeilijkte Indonesië het Nederlanders naar het land te komen, bijvoorbeeld door visumaanvragen in zeer traag tempo te verwerken en uiteindelijk door überhaupt geen aanvragen meer te honoreren.31

De gereformeerde kerk stapte niet over op de zogenaamde kerkelijke zending maar bleef zich richten op de genootschappelijke zending. Wel zochten zij, net als de hervormden, naar andere gebieden die gekerstend konden worden. Meerdere argumenten werden door de protestanten naar voren gebracht om internationale uitbreiding van de zending te rechtvaardigen. De moeizame verhouding met Indonesië vormde daar één van; daarnaast wilde men zich sterker profileren als onderdeel van een oecumenische wereldkerk, wilde men zich, net als andere zendingskerken, niet langer alleen op (voormalige) kolonies richten en hoopte men zo minder geïsoleerd te staan in de internationale zendingsbeweging.32

In 1955 werd een motie om ook buiten Indonesië en Nieuw-Guinea aan de slag te gaan door de hervormde kerk verworpen met acht stemmen tegen zes. De hervormde raad voor de zending bleek niet bereid de aandacht te verleggen, omdat men vond dat men niet elders aan de slag kon gaan zolang het werk in Indonesië niet was voltooid. De centrale en beladen positie die het land in het debat innam blijkt duidelijk uit het gegeven dat als extra argument voor internationale zending werd aangedragen dat het de Indonesiërs zou doen realiseren dat de Nederlandse zending vanuit een oprecht gelovige en oecumenische visie opereerde en niet slechts een overblijfsel was van de vervlogen koloniale politiek.33 Internationale zending zou de positie in Indonesië dus niet verzwakken, maar juist versterken!

De terughoudende positie van de hervormde raad voor de zending kon de feiten echter niet veranderen; het werd voor Nederlanders steeds moeilijker Indonesië in te komen en dus waren ook zendelingen niet zeker van een visum. Noodgedwongen kwam de raad in 1958 terug op haar eerdere besluit: wachtende zendelingen konden beter elders ingezet worden, en omdat korte termijn zending de raad niet zinvol leek, besloot men om potentiële zendingsgebieden te vinden.34 Deze waren vrijwel allemaal in Afrika. De gereformeerden volgden dit voorbeeld. Toen, in 1963, de Nederlandse overheid de soevereiniteit van Nieuw-Guinea overdroeg aan Indonesië, keerden de meeste Nederlanders terug naar het land van oorsprong. Hierdoor nam de interesse van de Nederlandse protestanten voor de zending in Indonesië en Nieuw-Guinea nog verder af en verloor dit gebied voor een deel de belangrijke nostalgische positie die zij eens bezeten had.

Missie

a. Missie tot 1940

De rooms-katholieke missie was door de Republiek in de 17e eeuw uit de Indonesische archipel verdreven. Onder invloed van de Franse revolutie stelde de gouverneur Daendels in 1808 de christelijke godsdiensten gelijk, zodat er ruimte kwam voor pastoors, die vrijwel direct arriveerden, in 1845 gevolgd door de eerste bisschop te Batavia.35 In 1859 werd de missie naar Oost-Indië hervat door de eerste congregatie, te weten de Jezuïeten.36 Hoewel er een tekort was aan pastoors om de katholieke kolonisten en een kleine groep inlandse gelovigen geestelijke verzorging te verlenen, stelde de Nederlandse overheid zich in hetzelfde jaar garant voor de katholieke bevolking van Flores, een gedeelte van Timor en de bijbehorende eilanden, die door de Portugezen aan Nederland werden overgedragen en voor een grote toename aan rooms-katholieken in de Nederlandse kolonie zorgden.37

Vanaf ongeveer 1900 breidde de kerk haar werkgebied steeds verder uit. In plaats van enkel reeds bestaande rooms-katholieke parochies te ondersteunen, ging zij zich steeds meer richten op verspreiding van het geloof, met name onder niet-islamitische bevolkingsgroepen, zoals de Chinezen op Java.38 Tussen 1902 en 1942 groeide het aantal kerkelijke territoria van één naar zestien en het aantal katholieken van enige duizenden naar 478.000.39 De congregaties verzorgden naast het missiewerk ook onderwijs. De overheid stond dit toe, maar concurreerde zelf tegen de religieuze scholen. Toen bijvoorbeeld een rooms-katholieke school Engelse les ging geven, om zo Chinezen te lokken, die vaak nauwe banden met Singapore onderhielden, ging het departement van onderwijs dit zelf ook doen op de Gouvernementsschool. De orde die de religieuze school beheerde kon hier financieel moeilijk tegen op.40

Hoewel de rooms-katholieke kerk aan de vooravond van de oorlog flink in omvang was toegenomen, was haar positie nog niet vergelijkbaar met die van de protestantse kerken. De groeiende groep gelovigen was niet alleen veel kleiner dan het aantal protestanten (laat staan het aantal moslims), zij bevond zich ook voornamelijk in de culturele periferie van de kolonie. Hierdoor kon zij ook minder invloed uitoefenen op het koloniale beleid.41 Op organisatorisch niveau erkende men ook de waarde van de inlandse bevolking. Er waren niet alleen inlandse priesters, vlak voor de oorlog werd zelfs een inlander tot bisschop gewijd.42

b. Missie tot 1949

Net als de protestanten hadden de katholieke buitenlanders zwaar te leiden onder het Japanse bewind. Niet alleen werden zij vrijwel allemaal geïnterneerd, meer dan 250 pastoors, broeders en zusters kwamen om, evenals de bisschop van Maluku-West Irian. Desondanks was het Japanse beleid schijnbaar willekeurig: de bisschoppen van Batavia en Ende behielden hun vrijheid en enige priesters en bisschoppen uit Japan zelf werden door de nieuwe heersers naar Indonesië gezonden.43 Ook kregen de katholieken net als de protestanten te maken met de permanente onteigening van hun gebouwen.

Er was echter een belangrijk verschil tussen de rooms-katholieke missie en de protestantse zending: waar de zending zich voornamelijk op Nederland moest richten voor financiële bijstand, viel men op het gebied van missie terug op de eigen congregatie, die internationaal actief was en daardoor uit een groter geografisch gebied geld en personeel kon halen. Na de oorlog kwamen er dan ook al snel veranderingen in de aanpak van de missie, met de bedoeling deze efficiënter te maken en rekening te houden met de veranderende politieke omstandigheden. De missie was immers minder sterk verbonden met het koloniale bewind dan de zending, zodat er geen interne discussies gevoerd hoefden te worden over wel of geen ondersteuning van de nationalistische beweging in het land; daarnaast zorgde het bestaan van een katholieke politieke partij, de Partai Katolik (PK), voor een situatie die de bisschoppen de mogelijkheid gaf zich sterker in het landsbestuur te mengen dan voorheen.44

Al vanaf 1945 begonnen er visummoeilijkheden te ontstaan voor Nederlandse staatsburgers (hoewel in mindere mate dan in de jaren ‘50). Nederlandse missionarissen werden daarom voor een deel vervangen door met name Amerikanen, Zwitsers, Belgen en Duitsers. Ook werd in 1947 een zelfstandige apostolische nuntiatuur opgericht voor Indonesië, onder gezag van de Congregatio de Propaganda Fide te Rome, de organisatie belast met de verbreiding van het rooms-katholieke geloof.45 Daarnaast bleef men investeren in onderwijs, medische zorg en sociale zorg.

c. Missie tot 1963

De rooms-katholieke kerk in Indonesië was zich na de oorlog misschien wel actiever dan voorheen beginnen te ontplooien. In de jaren ’50 zette dit proces zich door, mede met steun van de regering, waarin de Partai Katolik in de jaren ’50-’56 in vier kabinetten actief was.46 De partij volgde de regeringslijn in het conflict tussen Nederland en Indonesië met betrekking tot Nieuw-Guinea en steunde de wet tegen de komst van buitenlandse missionarissen. Wel vonden zij dat deze wet exclusief op Nederlanders toegepast moest worden, zodat de missie ongehinderd door kon gaan. Ook hieruit bleek de flexibiliteit die de internationale positie de katholieke kerk permitteerde.47 De Nederlandse missionarissen werden ondertussen naar andere gebieden gedirigeerd, zoals Afrika.

Wel zorgde de activiteit van katholieke partijen in Nederland én Indonesië voor diplomatieke moeilijkheden. Waar de PK de Indonesische regering ondersteunde, in ieder geval in haar standpunt over Nederlanders en Nieuw-Guinea, stond de KVP al vanaf de late jaren ’40 prominent achter het Nederlandse beleid voor het behoud van Indonesië en Nieuw-Guinea. De Indonesische bisschop Soegijapranata gaf in 1958 dan ook flink af op de Nederlandse politiek en zelfs op de rooms-katholieke kerk op wereldniveau, die de Indonesiërs niet genoeg steun bood en teveel achter sterke en imperialistische landen aan zou lopen.48

Door de uiteindelijke overeenkomst tussen Nederland en Indonesië verzoende de bisschop zich echter weer met de Nederlanders. Ook Sukarno zelf werd door veel katholieken na de crisis positief beschouwd: hij bevestigde de rechten van de katholieken in Nieuw-Guinea en gaf bisschop Soegijapranata, toen hij in 1963 overleed, zelfs een eervolle staatsbegrafenis. Daarnaast meenden veel Indonesische katholieken dat enkel Sukarno de communistische partij van het centrum van de macht weg kon houden.49 De katholieke minderheid in Indonesië was dus zo goed mogelijk ingeburgerd en vond gedeeltelijke erkenning tot op de hoogste politieke niveaus. Muskens spreekt zelfs over een situatie ‘die ongekend was onder het koloniaal stelsel vóór 1942’.50

Conclusie

In dit artikel is gezocht naar keerpunten in de Nederlandse missionaire verhouding met Indonesië in de periode van even vóór de Tweede Wereldoorlog tot na de Nederlandse terugtrekking uit Nieuw-Guinea in 1963. De koloniale heerschappij van Nederland over de Indonesische archipel zorgde ervoor dat met name de protestantse zending erg actief was binnen het eilandenrijk. Ook de rooms-katholieken hadden grote interesse in het gebied, maar konden zich voor de oorlog minder efficiënt ontplooien en liepen voortdurend achter in het bekeren van de bevolking, zodat er bij het uitbreken van de oorlog drie keer zoveel protestanten als katholieken waren.

Tijdens de oorlog hadden katholieken en protestanten het even zwaar te verduren, maar na de terugtrekking van de Japanners leken de eerstgenoemden een betere band op te bouwen met de nieuwe Indonesische republikeinse regering. De bisschoppelijke structuur maakte het voor de katholieken makkelijker in gesprek te gaan met de regering dan het voor de afzonderlijke protestantse groeperingen was. Het kwam zelfs tot de stichting van een gewaardeerde katholieke partij en daarmee een actieve participatie in en ondersteuning van het regime van Sukarno. Aan het begin van de jaren ‘60 waren de katholieken dan ook behoorlijk geëmancipeerd binnen de Indonesische samenleving.

Missie en zending kregen na de oorlog met dezelfde problemen te maken doordat het, met name vanaf de tweede helft van de jaren ‘50, voor Nederlanders steeds lastiger werd om naar Indonesië af te reizen. Wel was het voor de katholieke organisatie vanzelfsprekend uit andere streken missionarissen te werven, terwijl dit een onmogelijkheid was voor de Nederlandse protestantse kerken, die immers nationaal van oorsprong waren. De zending moest haar aandacht daarom verleggen naar andere gebieden, met name Afrika, terwijl de rooms-katholieke ordes hun infrastructuur beter in stand konden houden.

Aan het begin van dit artikel werd de vraag gesteld of er een breuk te constateren was in zending en missie. Wat betreft het personeel is dit zeker het geval, hoewel deze breuk zich gradueel voltrok in de jaren na de oorlog tot aan de afscheiding van Nieuw-Guinea. Langzaam veranderde de medewerkers aan missie en zending van nationale herkomst: Nederlanders, met uitzondering van diegenen die zich tot Indonesiër lieten nationaliseren, trokken geleidelijk weg. Zij werden vervangen door een internationaal gezelschap van zendelingen en missionarissen.

Daarnaast was er een mentaliteitsomslag, met name in de protestantse kerk, die in een stroomversnelling kwam door de politieke omstandigheden. De belangrijke positie die Indonesië eens ingenomen had in de publieke beeldvorming met betrekking tot missie en zending brokkelde af en ook de protestanten gingen steeds sterker het idee van een wereldkerk uitdragen die niet noodzakelijkerwijs politiek met Nederland verbonden was.

Zoals eerder geconstateerd was de materiële verandering binnen de rooms-katholieke kerk in Indonesië echter geringer dan voor de Nederlandse protestantse kerk. Er kan dan ook gesteld worden dat de rooms-katholieke missie zich handhaafde in Indonesië, terwijl de Nederlandse langzaam vervangen werd en voor een deel verloren ging. Desondanks is het aantal protestanten in Indonesië tot op heden groter dan het aantal katholieken.

Literatuurlijst

  • Algra, A., De Gereformeerde Kerken in Nederlands-Indië, Indonesië (1877-1961) (Franeker 1967) hoofdstukken XXIII-XXVII 258-340.

  • Aritonang, Jan, ‘Streven en effect van het zendingsonderwijs in Indonesië’ in: Th. van den End e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997)115-127.

  • Brock, Jan, Missionarissen en hun opvolgers. Ontmoetingen in Indonesië (Den Haag 1982) hoofdstukken 3-4 21-29.

  • Van Doorn, J. A. A., De laatste eeuw van Indië (Amsterdam 1994) 101-102.

  • Eijnatten, Joris van en Lieburg, Fred van, Nederlandse religiegeschiedenis (tweede druk; Hilversum 2006) 312-314.

  • Van den End, Th., ‘Tweehonderd jaar Nederlandse zending: een overzicht’ in: ibidem e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997) 1-24.

  • Enklaar, I. H., Onze blijvende opdracht: de Nederlandse deelname aan wereldzending en werelddiakonaat in een nieuwe tijd (Kampen 1968) alleen aan gerefereerd.

  • Holtrop, P. N., ‘Nederlands protestantisme en de proclamatie van de Republik Indonesia, 17 augustus 1945’, Documentatieblad voor de geschiedenis van de Nederlandse zending en overzeese kerken 2 (1995) 94-110.

  • Jongeneel, J. A. B., ‘Nederlandse kerkelijke en para-kerkelijke zending na 1945’ in: Th. van den End e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997) 225-240.

  • Kraemer, H., ‘De zending en Nederlands-Indië’ in: J. Baudet en L. J. Brugmans, Balans van Beleid. Terugblik op de laatste anderhalve eeuw van Nederlandsch-Indië (Assen 1961) 289-309.

  • Mulder, D. C. ‘De Gereformeerde Zending na 1945’, Documentatieblad voor de geschiedenis van de Nederlandse zending en overzeese kerken 3 (1996) 102-121.

  • Munsters, zr. M. T., Wie zal ons scheiden. De zusters van het heilig Hart op Zuid Sumatra, Indonesië 1927-1990 (Eindhoven z.j.) hoofdstuk 5.5 118-126.

  • Muskens, M. P. M., Indonesië. Een strijd om nationale identiteit (Bussum 1969) derde deel, hoofdstukken I.1-3 303-318 en IV.1-2 385-411.

  • Schaaf, Ype, ‘Uit nood en als uitdaging. De start van Nederlands protestants zendingswerk in Afrika 1954-1965’ in: Th. van den End e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997) 201-223.

  • Steenbrink, Karel, ‘Enkele tendensen in de recente missiegeschiedenis’, Trajecta 4 (1994) 342-355.

  • Tan, Tiat Han, The Attitude of Dutch Protestant Missions towards Indonesian Nationalism 1945-1949 (Princeton en New Jersey 1967) tweede deel, hoofdstukken I-III 129-279 en conclusie 386-396.

  • Wils, J., ‘Het werk der missie’ in: J. Baudet en L. J. Brugmans, Balans van Beleid. Terugblik op de laatste anderhalve eeuw van Nederlandsch-Indië (Assen 1961) 311-327.

Noten

1 H. Kraemer, ‘De zending en Nederlands-Indië’ in: J. Baudet en L. J. Brugmans, Balans van Beleid. Terugblik op de laatste anderhalve eeuw van Nederlandsch-Indië (Assen 1961) 289-309, aldaar 290-291.

2 Tiat Han Tan, The Attitude of Dutch Protestant Missions towards Indonesian Nationalism 1945-1949 (Princeton en New Jersey 1967) 4-5.

3 Kraemer, Zending 307-309.

4 Tiat Han Tan, Attitude of Missions 386-388, 391-396

5 Een voorbeeld hiervan is: Zr. M. T. Munsters, Wie zal ons scheiden. De zusters van het heilig Hart op Zuid Sumatra, Indonesië 1927-1990 (Eindhoven z.j.).

6 Wils, Werk der missie 325-327.

7 M. P. M. Muskens, Indonesië. Een strijd om nationale identiteit (Bussum 1969) stelling 13.

8 A. Algra, De Gereformeerde Kerken in Nederlands-Indië, Indonesië (1877-1961) (Franeker 1967).

9 I. H. Enklaar, Onze blijvende opdracht: de Nederlandse deelname aan wereldzending en werelddiakonaat in een nieuwe tijd (Kampen 1968).

10 P. N. Holtrop, ‘Nederlands protestantisme en de proclamatie van de Republik Indonesia, 17 augustus 1945’, Documentatieblad voor de geschiedenis van de Nederlandse zending en overzeese kerken 2 (1995) 94-110.

11 Th. van den End, ‘Tweehonderd jaar Nederlandse zending: een overzicht’ in: ibidem e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen 1-24, aldaar 21-23; Mulder, D. C. ‘De Gereformeerde Zending na 1945’, Documentatieblad voor de geschiedenis van de Nederlandse zending en overzeese kerken 3 (1996) 102-121.

12 Karel Steenbrink, ‘Enkele tendensen in de recente missiegeschiedenis’, Trajecta 4 (1994) 342-355, aldaar 344.

13 J. A. A. van Doorn, De laatste eeuw van Indië (Amsterdam 1994) 101-102.

14 Documentatieblad voor de geschiedenis van de Nederlandse zending en overzeese kerken 1-11 (1994-2004).

15 Van den End, Tweehonderd jaar Nederlandse zending 1.

16 Ibidem, 8.

17 J. A. B. Jongeneel, ‘Nederlandse kerkelijke en para-kerkelijke zending na 1945’ in: Th. van den End e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997) 225-240, aldaar 231.

18 Van den End, Tweehonderd jaar Nederlandse zending, 16-17.

19 Ibidem, 15.

20 Ibidem, 18.

21 Jan Aritonang, ‘Streven en effect van het zendingsonderwijs in Indonesië’ in: Th. van den End e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997) 115-127, aldaar 125.

22 Van den End, Tweehonderd jaar Nederlandse zending 20.

23 Algra, De Gereformeerde Kerken 259.

24 Tan, The Attitude of Dutch Missions 157.

25 Ibidem, 158-159.

26 Ibidem, 174-175.

27 Ibidem, 182.

28 Ibidem, 183-186; Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (tweede druk; Hilversum 2006) 312, 314; Algra, De Gereformeerde Kerken 279-280 is een voorbeeld van een studie die vrijwel geen aandacht aan de politieke consequenties van de oorlog besteedt, maar wel aandachtig stilstaat bij de vrijmaking.

29 Van den End, Tweehonderd jaar Nederlandse zending 20.

30 Ibidem, 21.

31 Ype Schaaf, ‘Uit nood en als uitdaging. De start van Nederlands protestants zendingswerk in Afrika 1954-1965’ in: Th. van den End e.a. (redactie) Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997. Twaalf opstellen (Kampen 1997) 201-223, aldaar 202.

32 Ibidem, 208.

33 Ibidem.

34 Ibidem, 209.

35 Muskens, Indonesië 305.

36 J. Wils, ‘Het werk der missie’ in: J. Baudet en L. J. Brugmans, Balans van Beleid. Terugblik op de laatste anderhalve eeuw van Nederlandsch-Indië (Assen 1961) 311-327, aldaar 317.

37 Muskens, Indonesië 307.

38 Ibidem, 316.

39 Jan Brock, Missionarissen en hun opvolgers. Ontmoetingen in Indonesië (Den Haag 1982) 32; Van den End, Tweehonderd jaar Nederlandse zending, 15.

40 Munsters, Wie zal ons scheiden 120.

41 Brock, Missionarissen 27; Muskens, Indonesië 316-317.

42 Wils, Het werk der missie 312.

43 Muskens, Indonesië 317-318.

44 Ibidem, 398.

45 Wils, Het werk der missie 318.

46 Muskens, Indonesië 399.

47 Ibidem, 400.

48 Ibidem, 404-405.

49 Ibidem, 408-409.

50 Ibidem, 408.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Connecting to %s




Follow

Get every new post delivered to your Inbox.