Het gezin Goedhart en het koloniale huishouden

Inleiding

Hilbrand Goedhart was mijn overgrootvader, de vader van mijn vaders moeder. Zelf heb ik hem nooit gekend, maar omdat hij met mijn overgrootmoeder, Christina van Dam, naar Indonesië (toen nog Nederlands Oost-Indië) is gereisd, waar mijn oma geboren is, heeft hij indirect een grote invloed gehad op de familie. Zo was hij bijvoorbeeld veel progressiever dan veel van mijn familieleden in Nederland die zijn tijdgenoten waren. Bij familiereünies wordt praktisch altijd Indonesisch gegeten. Zelf ben ik met mijn tweede naam naar hem vernoemd.

Hilbrand ging naar Indië om daar in Magelang in dienst van de Gereformeerde zending de hogere klassen van de lokale bevolking middelbaar onderwijs te geven. Dit deed hij met veel plezier; hij schijnt erg van het land gehouden te hebben. Al zijn zes kinderen zijn op Java geboren, tussen 1922 en 1934: Hilbrand, Adriaan, Hilda, Leendert, Christiaan en Jannie.

Waarschijnlijk was de Tweede Wereldoorlog voor hem de meest ingrijpende gebeurtenis van zijn leven. Drie van zijn kinderen waren toen al in Nederland, om daar hoger onderwijs te volgen; de rest van het gezin werd geïnterneerd, op verschillende plaatsen. Na de oorlog was de thuiskomst in Nederland erg zwaar. Zoon Christiaan overleed in ’46 in Nederland als gevolg van de internering, waardoor hij ernstig verzwakt was.

In Indië zelf was Hilbrand Goedhart actief in de politiek namens de Christelijk Staatkundige Partij, een koloniaal samenwerkingsverband tussen de protestantse partijen ARP en CHU. Hij was gedurende het buitenlandverlof van de burgemeester van Magelang waarnemend burgemeester, en ook zijn positie als onderwijzer aan de Hollands-Chinese School en later de Christelijke Mulo, als docent Aardrijkskunde, Geschiedenis en Engels, zal hem een respectabele positie in de koloniale samenleving verschaft hebben. Over die positie en die samenleving in het algemeen wil ik hier meer te weten komen.

Gegevens Hilbrand Goedhart

M/v

M

Geboren in

27 januari 1897

Geboren te

Alphen a/d Rijn

herkomst (plaats en land ouders)

Alphen a/d Rijn, Nederland

Woonachtig in (stad of provincie)

Alphen a/d Rijn, Magelang (Indonesië)

geloof of levensovertuiging

Gereformeerd

klasse

Leraar, middenklasse

stad/platteland

Stad

huwelijk

1919, Christina van Dam

kinderen (zo ja hoeveel)

6

(event) overleden in/te

17 april 1967 te Leiden

Literatuur

Er is veel geschreven over Nederlands Oost-Indië; een groot deel hiervan gaat echter over de dekolonisatieperiode en is voor dit onderzoek niet relevant. Over gendergerelateerde zaken zijn gelukkig ook artikelen en boeken verschenen, onder andere van Julia Clancy-Smith,1 Elsbeth Locher-Scholten2 en Ann Laura Stoler.3 Ik richt mij hierbij op het artikel van Stoler, omdat het een heldere samenvatting geeft van de functie van het gezin in de koloniale samenleving.

Volgens Ann Laura Stoler werd de koloniale maatschappij vanaf het begin van de 20e eeuw steeds meer afgeschermd. Seksuele relaties tussen Europese mannen en inlandse vrouwen werden zo veel mogelijk beperkt en de immigratie van Europese vrouwen werd juist aangemoedigd. Vrouwen werden gezien als de beschermers van de Europese koloniale samenleving en zij moesten voorkomen dat hun mannen en kinderen zouden verinlandsen. Dit konden zij bijvoorbeeld doen door hun kinderen op een Nederlandse manier op te voeden en Nederlandse maaltijden te bereiden. Daarnaast werden zij afgeschermd van de buitenwereld; vrouwen en kinderen moesten door hun mannen beschermd worden tegen immorele en seksueel losbandige inlanders. Door de komst van vrouwen naar de koloniën werden de verschillen tussen de inlandse maatschappij en de koloniale samenleving dus verscherpt. Dit moest voorkomen dat er verdere vermenging tussen de inlanders en de kolonisten zou plaatsvinden en dat de kolonisten zouden degenereren. Een verpauperde of vermengde Europese bevolkingslaag, zo dacht men, zou de koloniale autoriteit ondermijnen.

Van het gezin Goedhart zijn nog brieven en een groot aantal foto’s beschikbaar, die deels bedoeld waren om zich aan familieleden in Europa te presenteren. Wat voor beeld geven deze bronnen over de verhoudingen tussen man en vrouw binnen de koloniale samenleving van Java in de jaren ’20 en ’30? Werden de vrouw en het gezin in het algemeen, zoals Stoler beweert, sterk beschermd tegen de inlandse buitenwereld, of geven de bronnen juist een beeld van vrije omgang in de kolonie?

Bronnen

Fotografische bronnen

Er is een fotoverzameling in het bezit van mijn grootvader Jan Bosch te Wezep met meer dan 150 foto’s gemaakt tussen 1935-1939, voor het merendeel waarschijnlijk door Hilbrand Goedhart. Deze foto’s vallen grofweg in vijf categorieën onder te verdelen:

  1. Foto’s van gezinsleden in of om het huis: 37

  2. Foto’s van gezinsleden bij vrienden in of om het huis: 16

  3. Foto’s van school: 17

  4. Foto’s van gezinsleden bij bezienswaardigheden, op uitjes of op vakantie: 66

  5. Foto’s van publieke manifestaties: 13

In totaal zijn dit 149 foto’s.

Portretfoto’s die in een studio zijn gemaakt, foto’s zonder mensen, foto’s die in Nederland gemaakt zijn en foto’s zonder gezinsleden heb ik buiten beschouwing gelaten. In de database in Bijlage 1 heb ik uiteindelijk ook een aantal zeer kleine foto’s niet meegeteld, zodat er daarin 135 foto’s verwerkt zijn.

De foto’s bevinden zich in één album en zijn door de samensteller gedateerd. Vermoedelijk zijn alle foto’s amateurfoto’s, wellicht enige familiefoto’s daargelaten. Het doel van de foto’s was deels om herinneringen vast te leggen voor het eigen gezin en deels om aan vrienden en familie te kunnen tonen, zodat de foto’s laten zien hoe het gezin Goedhart zelf naar de samenleving in Nederlands Oost-Indië keek en hoe zij dit wensten te presenteren. Bijlage 1 bevat een database met daarin gegevens over de foto’s. Alle foto’s die in dit onderzoek gebruikt zijn komen uit deze verzameling.

Brieven

Uit de periode 1930-1940 heb ik geen brieven kunnen vinden die uit Indonesië gestuurd zijn, alleen ansichtkaarten met weinig tekst. Wél zijn er twee uitvoerige brieven – d.d. 20-1-’46 en 10-2-’46 van de hand van Hilbrand Goedhart – in het bezit van Jan Bosch, waarvan ik er één in dit onderzoek betrek. Deze is geschreven terwijl de gezinsleden die nog in Indonesië waren afwachtten tot zij naar Nederland konden terugkeren. Hij is geschreven aan mijn oma, Hilda Goedhart, en mijn opa en op dat moment haar verloofde, Jan Bosch, die gedurende de oorlog in Nederland waren.

Deze brief is in helder handschrift in potlood geschreven op drie verschillende vellen papier. Vermoedelijk is dit een kladversie: in de brief wordt namelijk verwezen naar een andere niet-verzonden brief, die ‘in ’t potlood’ bleef, wat erop wijst dat kladbrieven in potlood werden geschreven.4 Ook loopt op een aantal vellen een dunne streep van linksboven naar rechtsonder. Dit kan mogelijk aangeven dat dat gedeelte was overgeschreven. Waarom juist deze vermoedelijke kladversie wel bewaard is en de werkelijk verzonden versie niet, is mij onbekend. De brief is getranscribeerd en ingescand bijgevoegd in bijlage 2.

Gedrukte bronnen

Een zoon van Hilbrand en Christina Goedhart, Adriaan Goedhart, heeft zijn memoires uitgegeven.5 Hoewel deze voornamelijk over hemzelf gaan, en zelfs in de beschrijving van zijn jeugd zijn familieleden weinig aandacht krijgen, bevat deze tekst toch belangrijke informatie waar ik later naar zal verwijzen. Daarnaast is zijn ervaring, hoewel subjectief en bijna zestig jaar na zijn vertrek uit Indië opgetekend, toch zeer relevant voor dit onderzoek.

Het gezin Goedhart in de koloniale samenleving

Op wat voor manieren kan men onderscheiden of vrouwen en meisjes binnen het gezin erg afgeschermd werden van de buitenwereld? In de memoires van Adriaan Goedhart evenals in de brief kan men iets lezen over de omgang met de bediendes. In deze periode werd het contact tussen het kolonistengezin en bediendes en gewone inlanders vaak zo veel mogelijk beperkt. Zo had het personeel meestal eigen vertrekken in een losstaand gebouw. Zij mochten geen vanzelfsprekend onderdeel vormen van het leven van met name de kinderen.

Naast de brieven kunnen we hier ook gegevens over vinden in de fotografische bronnen.

Ook de zeden en gewoonten kunnen een blik geven in de manier waarop het gezin omging met de inlandse samenleving. Hieronder versta ik de kleding, het eten, de inrichting van het huis, de taal die gesproken werd – werden hierbij Nederlandse normen gevolgd, of nam men op een aantal punten lokale gebruiken over?

Ten slotte kan de fysieke afscherming van de buitenwereld onderzocht worden, waarbij ik mij hier tot de kinderwereld beperk. Hoe groot was de bewegingsvrijheid van de kinderen? Mochten zij vrij naar buiten of werden zij hierin beperkt? Werd er hierin onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes?

1. Het personeel

Het personeel komt in Weerzien met Indië en Indonesië een aantal keren aan bod. Op anekdotische wijze wordt verhaald van de verhalen die hem door de djongos (huisbediende) werden verteld.6 De kebon (tuinjongen) en djongos beschrijft hij als ‘je beste vrienden’.7 Het personeel woonde in aparte bijgebouwen; deze waren voor de kinderen echter niet verboden terrein.8

Op foto’s komt het personeel zeer weinig in beeld, in totaal zeven keer. In alle gevallen is deze presentatie traditioneel, met helder onderscheid tussen bediende en baas. Dit wordt duidelijk gemaakt door de bediendes bijvoorbeeld een dienblad in handen te geven en ze te laten staan als anderen zitten. Van vrijwel alle foto’s waarop bediendes afgebeeld worden bestaan ook versies zonder bediendes; wellicht waren die foto’s voor een ander publiek bedoeld. Ten slotte laat geen enkele foto alle bediendes zien; bijna altijd zijn er één of twee afgebeeld, terwijl er minstens drie personeelsleden waren (djongos, kebon en baboe; vermoedelijk was er ook een kokki in dienst).

A

Een kinderfeestje bij de familie Goedhart, 1936.

angezien Hilbrand Goedhart directeur was aan een school die er juist op gericht was de inlandse elite te onder-wijzen, komen inlanders verder regelmatig voor op foto’s, vaker zelfs dan het personeel. Over het algemeen is het echter niet moeilijk om deze klasgenoten van de kinderen Goedhart van de bediendes te onder-scheiden; in tegenstelling tot het personeel droegen zij Europese kleding en hadden zij een haardracht die aansloot bij de kolonisten.

Ook in de brief wordt verwezen naar personeel, een kokki ‘van de oude stempel’.9 De vrouw des huizes, Christina Goedhart, wordt hier neergezet als verantwoordelijk voor de loop van het huishouden en de omgang met het personeel.

2. Zeden en gewoonten

Over het algemeen werden in het dagelijks leven de Europese conventies gevolgd. Zoals op alle foto’s te zien is droegen mensen van de hoge middenklasse, inclusief de inlanders, Europese kleding.

Wat betreft de maaltijden die men in Magelang at ben ik twee verschillende verhalen tegengekomen. Adriaan Goedhart suggereert dat men Indonesisch at. Hij vertelt dat, wanneer de islamitische vastentijd ten einde was, er door de Indonesiërs feest gevierd werd en dat de bediendes die dagen vrij waren en, zo zegt hij, “wij werden op Hollands eten getrakteerd door moeder, die dan in de keuken de scepter zwaaide”.10 Dit wijst erop dat men normaal geen Hollandse maaltijden at.

De overlevering binnen mijn eigen familie stelt echter dat men in Magelang geen Indonesisch maar Nederlands at; mijn grootmoeder, die tijdens de oorlog in Nederland was, zou pas na de oorlog voor het eerst Indonesisch hebben geproefd. De achtergebleven familieleden zouden dit in de Japanse interneringskampen hebben leren bereiden.

Om hierover een oordeel te kunnen vellen is het belangrijk om het bronmateriaal te vergelijken. Adriaan Goedhart woonde tot 1936 in Magelang en schreef zijn ervaringen op in 1994; Hilda Goedhart woonde tot 1939 in Magelang. De datum waarop haar versie van het verhaal bekend werd is onbekend, maar moet vóór 1986, omdat ze in dat jaar overleed. Dit maakt haar versie van het verhaal aannemelijker.

De brief geeft geen duidelijk antwoord op het probleem en kan zelf óók op twee manieren geïnterpreteerd worden: aan de ene kant is duidelijk dat zelfs een deeltijd kokki zonder problemen een oer-Hollandse maaltijd bereidde (‘aardappelen, boontjes en runderlapjes’), maar aan de andere kant wordt vrijelijk met Maleisische termen gestrooid, zoals telor ajam, pisang ambon en sawoc manilla, zonder enige uitleg, wat doet vermoeden dat Hilbrand deze termen bekend achtte bij zijn publiek.11 Het één hoeft het ander echter niet uit te sluiten: het zou kunnen dat men thuis geen Indonesisch at, maar wel bekend was met de verschillende namen van gerechten; ook zou het kunnen dat Hilda de namen niet kende, maar ze voor Hilbrand zo gewoon waren geworden dat hij daar geen rekening mee hield. In ieder geval is duidelijk dat de Nederlandse keuken aanwezig was binnen het koloniale huishouden.

D

De woonkamer in Magelang in 1935.

e inrichting van het huis was voor het merendeel Europees. De meubels werden wel lokaal vervaardigd, maar door Chinezen en niet door Javanen; aan de muur hingen reproducties van Van Gogh en Jongkind.12

Daarnaast werd voornamelijk de Nederlandse taal gehanteerd; zo sprak mijn grootmoeder geen Maleisisch. Adriaan Goedhart stelt dat er geen taalbarrière was met de inheemse bevolking en vertelt dat de Maleise taal ‘ons inderdaad met de paplepel [werd] opgediend’.13 Hoewel het er niet op lijkt dat de kinderen bewust Maleis werd geleerd, werden een aantal termen wel overgenomen. In de brief in Bijlage 2 zijn hier meerdere voorbeelden van te vinden, zoals aan het einde van pagina 3B: ‘Wadoe, Moeder haar mond hij watert, seg!’

3. Afscherming van de buitenwereld

De fotografische bronnen zijn voor dit onderzoek deels bruikbaar. Zo kan er op bekeken worden of er een fysieke afgrenzing was van het woonerf en of men de eigen vertrouwde omgeving vaak verliet. Een afgrenzing is op de foto’s niet te zien; de familie woonde in een goede wijk van Magelang en uit de memoires van Adriaan blijkt dat er een uitstekende verhouding was met de buurtgenoten, waarvan een deel inlands of Chinees was.14 De omgeving werd dus als veilig beschouwd zonder dat er fysieke bescherming aanwezig hoefde te zijn; men had vertrouwen in de buurtbewoners.

Adriaan Goedhart beschrijft dat er drie verschillende sferen waren waarbinnen hij opgroeide: binnenshuis, buitenshuis en op school.15 De wereld van huis en school waren voor jongens en meisjes voor een groot deel hetzelfde; de vrijheid die men buitenshuis genoot kan echter heel anders geweest zijn. ‘Terwijl de meisjes met poppen speelden, bikkelden of touwtje sprongen, was er voor de jongens een eindeloos gevarieerd terrein van spelen en natuurbelevenissen,’ zo stelt Adriaan Goedhart.16 Of hij hier daadwerkelijk zijn familieleden beschrijft of ingeburgerde gendervooroordelen aanhaalt is onduidelijk. Dit is één van de zeer weinige verwijzingen die hij maakt naar zijn familieleden tijdens zijn jeugd in Magelang. Hiernaast blijven zij vrijwel altijd buiten beeld.

De foto’s die ik heb onderzocht laten vooral Hilda Goedhart zien, ook op verschillende avontuurlijke plekken, zoals hoog in de bergen kamperend, in een boomstam varend op de rivier en met vriendinnen op reis. De hier gesuggereerde vrijheid is natuurlijk echter niet aanwezig: in alle gevallen moet er een begeleider present zijn geweest die de foto’s heeft gemaakt, vermoedelijk Hilbrand zelf. Aangezien Hilda geen memoires heeft nagelaten kan ik niet controleren of zij net als Adriaan zelfstandig rondtrok door de omgeving met vrienden of vriendinnen. Wel is zij op de foto’s voornamelijk geportretteerd met vriendinnen of familieleden, zodat het er op lijkt dat de wereld van jongens en meisjes een zekere scheiding kende.

Ten slotte kan het niet onvermeld blijven dat Hilda pas in ’39 naar Nederland terugkeerde voor hogere scholing, toen zij 14 was, terwijl haar oudere broers al op 12-jarige leeftijd naar het moederland terugkeerden. Een oorzaak hiervoor kan waarschijnlijk gevonden worden in het gegeven dat er in de buurt van Alphen aan de Rijn betere scholing voor jongens dan voor meisjes was, en dat Hilbrand Goedhart het het beste vond zijn dochter zelf nog extra onderwijs te geven. Het is echter ook een duidelijk teken dat de in die tijd gewone bewering dat het koloniale klimaat ongezond was voor vrouwen door de familie Goedhart werd genegeerd.

Conclusie

In dit onderzoek heb ik geprobeerd erachter te komen in welke mate het beeld dat Ann Laura Stoler schetst van de koloniale samenleving te herkennen is in het gezin van mijn overgrootvader, Hilbrand Goedhart. Hierop is niet gemakkelijk een antwoord te geven omdat het beeld dat ik heb kunnen reconstrueren fragmentarisch is en sommige aspecten elkaar tegenspreken. Hoewel het gezin duidelijk niet racistisch was, blijkt uit de geraadpleegde bronnen dat het over het algemeen goed paste binnen het model van de koloniale samenleving dat volgens Stoler vanaf 1900 geconstrueerd werd. Er werd gestreefd zo goed als mogelijk een Europees huishouden op te zetten in Magelang, met Europese kunst aan de muren, Nederlands eten op tafel en kleding die mensen uit de middenklasse ook in Europa zouden kunnen dragen. De bediendes vormden een onvermijdelijk inheems onderdeel van het huishouden, dat geminimaliseerd werd door ze niet in het hoofdgebouw onder te brengen. In de memoires van Adriaan Goedhart lijkt het erop dat de kinderen niet al te streng werden afgeschermd van het personeel; in de contemporaine bronnen heb ik hier echter geen gegevens over kunnen vinden.

De brieven en foto’s die overgeleverd zijn uit de Indische periode van het gezin Goedhart zijn op kwantitatief en kwalitatief niveau erg waardevol maar op dit moment helaas incompleet. Het zou wellicht de moeite lonen om een uitgebreider onderzoek uit te voeren naar deze rijke documenten om zo een vollediger beeld te krijgen van dit gezin, dat tegelijkertijd typisch én atypisch was voor de Nederlandse kolonisatie van Java.

1 Julia Clancy-Smith, Domesticating the empire. Race, gender, and family life in French and Dutch colonialism (Charlottesville 1998).

2 Elsbeth Locher-Scholten, Women and the colonial state. Essays on gender and modernity in the Netherlands Indies, 1900-1942 (Amsterdam 2000).

3 Ann Laura Stoler, ‘De fatsoenering van het imperiale rijk. Ras en seksuele moraal in twintigste-eeuwse koloniale culturen’, De Gids 154 (1991) 418-447.

4 Archief Jan Bosch te Wezep, Correspondentie Hilbrand Goedhart-Hilda/Jan, d.d. 10-2-’46, pagina 1A.

5 Adriaan Goedhart, Weerzien met Indië en Indonesië. Herinneringen aan wat wel en niet verloren ging (Amsterdam 1995).

6 Goedhart, Weerzien 33.

7 Ibidem, 29.

8 Ibidem, 15.

9 Correspondentie Hilbrand Goedhart-Hilda/Jan, d.d. 10-2-’46, pagina 1A.

10 Goedhart, Weerzien 36.

11 Correspondentie Hilbrand Goedhart-Hilda/Jan, d.d. 10-2-’46, pagina 1B.

12 Goedhart, Weerzien 27-28.

13 Ibidem, 36.

14 Ibidem.

15 Ibidem, 33, 36.

16 Ibidem, 13.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Connecting to %s




Follow

Get every new post delivered to your Inbox.