Zwynen van Epicurus

Spinoza, spinozisme en spinozisten tot 1750

Kor Bosch

In de afgelopen zeventig jaar is de interesse voor de zeventiende-eeuwse filosoof Baruch de Spinoza (1632-1677) langzamerhand toegenomen. Lange tijd werd Spinoza als een buitenbeentje gezien binnen de Europese wijsbegeerte. Spinoza, een afvallige jood, ging veel verder in het beoefenen van de filosofische vrijheid dan veel van zijn tijdgenoten, wat hem een flinke hoeveelheid kritiek opleverde. Door de traditionele visie op God en het leven na de dood aan te vallen en ook de bijbel als onwaar te beschouwen wist hij gelovige joden evenals christenen tegen zich in het harnas te jagen, zodat zijn voornaamste werk, het anoniem uitgegeven Tractatus theologico-politicus (1670),1 al kort na verschijning verboden werd.2 Traditionele historici hebben deze onderdrukking van het spinozistische gedachtegoed vaak als zeer succesvol geportretteerd – sterker nog, deze zeventiende- en achttiende-eeuwse onderdrukking zou zo succesvol zijn geweest, dat zij in hun studies slechts weinig woorden vuil hoefden te maken aan de Nederlandse joodse filosoof, die volgens hen geen of zeer beperkte invloed had gehad op de ontwikkeling van belangrijke filosofische concepten, met name diegenen die aan de Verlichting gelieerd worden, zoals tolerantie en vrijheid van meningsuiting.3

Tijdens het interbellum begonnen verschillende historici deze visie te herzien. De Fransman Paul Hazard ving hiermee in 1935 aan in een studie waarin Spinoza werd gepresenteerd als een filosoof die wel degelijk invloed had gehad op de Verlichting, en er nog radicalere ideeën op nahield dan de beroemde Franse filosofen Voltaire (1694-1778) en Montesquieu (1689-1755).4 Niet veel later toonde de Amerikaanse historicus Ira Wade aan dat er tijdens de achttiende eeuw een uitgebreide verspreiding van illegale literatuur plaatsvond, waarbinnen de standpunten van Spinoza een vormende rol innamen.5 Na de Tweede Wereldoorlog benadrukte de Italiaan Venturi het verschil tussen republicanisme en monarchisme onder Verlichtingsdenkers in Italië.6 Ten slotte onderzocht de Amerikaanse historicus Henry May de gematigde en revolutionaire stromingen binnen de Verlichting in de Verenigde Staten.7 Dit vormde de basis voor het latere onderzoek van Margaret Jacob, die een omstreden werk schreef over de zogenaamde radicale Verlichting, waarin Spinoza redelijk wat aandacht kreeg.8

Rond de eeuwwisseling verscheen een boek van de hand van de Britse historicus Jonathan Israel, dat de uitdagende ondertitel ‘filosofie en de schepping van de moderniteit’ droeg.9 Baruch de Spinoza prijkte trots op de voorkant. In zijn studie ondernam Israel een poging Spinoza volledig te rehabiliteren. Volgens hem hadden anglocentrische historici Spinoza uit (onbewust) nationalisme genegeerd.10 Niet alleen was Spinoza, die hooguit een paar pagina’s in andere standaardwerken over de Verlichting kreeg, veel belangrijker geweest dan erkend werd, hij was zelfs invloedrijker geweest dan grote, maar gematigde, filosofen als Voltaire.11 Gematigde Verlichtingsdenkers streden niet alleen tegen onwetendheid gepropageerd door, bijvoorbeeld, kerkelijke instituten, maar ook tegen radicale Verlichte denkers zoals Spinoza en zijn volgelingen, de spinozisten. Tegelijkertijd beschuldigden de behoudende intellectuelen eenieder die te radicaal dacht ervan heimelijke spinozistische sympathieën te koesteren.

Met andere woorden, de spinozisten waren de sleutel tot het radicale en oorspronkelijke denken van de Verlichting, dat, volgens Israel, onze hedendaagse samenleving mogelijk heeft gemaakt.12 In plaats van te debatteren over het begrip radicale Verlichting zelf, zoals vaak gebeurd, wil ik hier het hoofdbestanddeel van de door Israel gepresenteerde Verlichting nader bestuderen: het spinozisme. In de eerste plaats zal ik onderzoeken wie door historici en tijdgenoten voor spinozisten werden aangezien, en wat hun standpunten waren. Daarna zal ik kijken naar een aantal spinozisten en hun al dan niet problematische omgang met het christendom. Ten slotte zal ik mij richten op het republicanisme en hoe dit op internationaal niveau wel of niet beïnvloed is door het spinozisme.

Wie of wat zijn spinozisten?

Het lijkt logisch dat mensen die voor ‘spinozist’ uitgemaakt werden in de zeventiende en achttiende eeuw aanhangers waren van het spinozisme, en dat wij, omgekeerd, mensen die het spinozisme aanhingen spinozist kunnen noemen. Zo simpel ligt het echter niet: het kwam voor dat mensen die niet bewust spinozistisch waren of dit niet wilden toegeven door tijdgenoten voor spinozist uitgemaakt werden, of dat mensen die zich wel spinozist noemden geen volledig begrip hadden van de filosoof of niet volledig met hem instemden.13 Een verdere complicatie wordt veroorzaakt door de manier waarop de teksten van Spinoza door hedendaagse wetenschappers worden geïnterpreteerd en welke filosofische standpunten zij hoofdzakelijk als spinozistisch bestempelen. Er moet daarom een duidelijk onderscheid aangebracht worden tussen het historische begrip ‘spinozist’, zoals dat door mensen in het verleden is gebezigd om zichzelf of anderen aan te duiden, en het begrip zoals het door historici wordt gebruikt, die vaak een eigen mening hebben over wie wel en wie niet spinozist genoemd kan worden.

De Middelburgse predikant Jacob Leydekker (overleden 1729) had wel een idee wat de idealen van een echte spinozist waren. Hij liet in een schotschrift gericht tegen een mogelijk spinozistische en dissidente professor theologie een ‘blyde spinosist’ zijn moraal onthullen: “wy gaan ons vermaaken in onze kudde, laatze zeggen, dat het een ‘kudde zwynen van Epicurus’ is, de zwynen leven al zoo gerust in hunnen modder, als de schapen in hunnen stal, en weide. Laat ons maar gerust, eten, drinken, vrolyk zyn, man dood, paard dood, al dood.”14 Zonder geloof in het leven na de dood zou een persoon ongeremd zijn lusten kunnen najagen, wat de orde in de samenleving in gevaar zou kunnen brengen. Er was maar één filosoof waarvan bekend was dat hij eerder soortgelijke ideeën de wereld in had gebracht, en dat was de door theologen alom gehate Epicurus. Hoewel dit beeld van een spinozist een duidelijke karikatuur van de werkelijkheid is, zijn er zeker punten in aan te wijzen die voor tijdgenoten herkenbaar zullen zijn geweest: een bepaalde ambivalentie naar het leven na de dood was veel spinozisten niet vreemd. Ook is dit fragment een goed voorbeeld van de beeldvorming rond spinozisten. Er werd niet heel serieus op standpunten ingegaan, maar vooral gewaarschuwd tegen deze gevaarlijke individuen.

Voor historici kan het moeilijk zijn om enige orde aan te brengen in de grote groep filosofen die voor spinozist werd uitgemaakt, waaronder mensen waarvan het duidelijk is dat zij niet spinozistisch waren, zoals Immanuel Kant (1724-1804). Een voorbeeld van een twijfelgeval was de hoogleraar filosofie Jacob Wittich (1677-1739) aan de universiteit van Duisburg in het hertogdom Kleef. In 1711 publiceerde hij een betoog waarin hij Spinoza’s opvatting over de natuur van God op een volstrekt academische manier onder de loep nam: door toepassing van de zuivere rede probeerde hij deze stelling te weerleggen. Toen hij in 1717 benoemd werd als hoogleraar in Groningen kwamen zijn eerdere geschriften in de belangstelling te staan. Omdat hij in zijn traktaat op eenzelfde manier de rede toe had gepast als Spinoza zelf werd hij al snel door sommigen aangezien voor iemand die besmet was met diens leer. De eerder genoemde predikant Jacob Leydekker was één van degenen die succesvol tegen zijn benoeming streden.15

Omdat het in de late zeventiende- en achttiende eeuw haast een gewoonte werd om theologische en filosofische tegenstanders voor spinozist uit te maken hebben veel historici de term dan ook geen of beperkte waarde toegekend. Spinozisten waren geen aanhangers van Spinoza, maar waren enkel te radicaal in de ogen van met name orthodox-christelijke theologen. De historica Margaret Jacob, bijvoorbeeld, erkent dat Spinoza een inspirerende rol speelde in de vorming van de ideeën van de radicale Verlichting, maar stelt dat de hervormende radicalen uit de achttiende eeuw hem niet geheel begrepen hoewel zij hem wel als één van hen zagen.16 Ook noemt zij specifiek het gebruik van de term ‘spinozistisch’ als politieke belediging: tijdens de Guerre de Hollande (1672-1678) van Lodewijk XIV waarschuwde een Frans pamflet Duitse protestanten er bijvoorbeeld voor dat de Republiek spinozistisch was en dus niet beschaafd protestants.17 Hoewel dit niet klopte was het duidelijk bedoeld om de Duitse vorsten ervan te weerhouden de Verenigde Provinciën te ondersteunen.

Het is deze visie, dat er slechts een los verband bestaat tussen achttiende-eeuwse spinozisten en Spinoza, die door Jonathan Israel onder vuur is genomen. Volgens hem is er wel degelijk sprake van een directe invloed en waren veel achttiende-eeuwse filosofen zich goed bewust van Spinoza’s gedachtegoed. In zijn twee bekende studies over de Verlichting, Radical Enlightenment en Enlightenment Contested, breekt hij een lans voor Spinoza’s invloed op de Verlichting. Hij geeft toe dat veel radicale Verlichtingsdenkers niet al het werk van Spinoza hebben gelezen, maar benadrukt dat zij wat betreft hun standpunten wel degelijk erg dicht tegen die van Spinoza aanzitten en precies wisten wie hij was: ‘the great leader of our modern infidels’, aldus bisschop George Berkeley (1685-1753).18 Daarnaast was, volgens Israel, Spinoza een duidelijk atheïstische filosoof.

Spinozisten en het geloof

De geschriften van Spinoza kunnen op verschillende manieren geïnterpreteerd worden: men kan de filosoof beschouwen als pantheïst of, zoals Israel, als een atheïst.19 In ieder geval moest de kerkelijke overheid weinig hebben van zijn werk; het was tot in de tweede helft van de achttiende eeuw gebruikelijk dat men op kerkvergaderingen in de Republiek maande tot waakzaamheid tegen het spinozisme.20 Dit is op zich weinig verbazend omdat, zelfs in zijn niet-atheïstische variant, het spinozisme zich sterk afkeerde van klerikaal gezag en het bestaan van wonderen en openbaringen ontkende.21

Hoewel het dus gemakkelijk is om de negatieve relatie tussen het christendom en het spinozisme te benadrukken, is de werkelijkheid ingewikkelder. Er bestond namelijk een actieve groep religieuzen die zich wel degelijk inliet met het spinozisme. Veelal bekritiseerd door hun meer orthodoxe geloofsgenoten waren er elementen in Spinoza’s werk die hen aanspraken. Omdat zij vaak willekeurige aspecten van de leer van Spinoza overnamen, en niet het geheel, is het moeilijk om te zien wanneer iemand een spinozistische christen is, of slechts een christen of spinozist. Het lijkt misschien vanzelfsprekend om de Haagse hofpredikant Petrus van Balen (1643-1690), die toegaf atheïstische standpunten te hebben verkondigd, als spinozist en niet als christen aan te duiden,22 maar ook hedendaagse gevallen van atheïstische predikanten binnen de Protestantse Kerken in Nederland geven aan dat de verhouding tussen christenen en God niet altijd zo eenvoudig ligt.23

Niet alleen vanaf de kansel werd het spinozisme verkondigd, soms publiceerden theologen ook werken in boekvorm. Een duidelijk voorbeeld hiervan vormt Het leven van Philopater, een als roman vermomde uitgave van teksten van Spinoza in 1691 gecompileerd door de kandidaat-predikant Johannes Duijkerius (c. 1661/62-1702).24 In dezelfde periode werd de dominee Frederik van Leenhof (1647-1712) beschuldigd van spinozistische sympathieën naar aanleiding van zijn werk Den Hemel op Aarden (1703), waarin hij God wel aangeprezen had, maar een in de ogen van zijn critici spinozistische visie op de verlossing had verkondigd, die brak met de traditionele leer van de Nederduits Gereformeerde Kerk. Van Leenhof erkende Spinoza gelezen te hebben, maar ontkende ten stelligste zelf een spinozist te zijn. Het is onduidelijk of hij dit deed om zijn baan als predikant te behouden, maar het kan heel goed zo zijn dat hij onbewust veel meer door Spinoza was beïnvloed dan hij zelf

door had.25

Spinozistische theologen rechtvaardigden hun positie door een scheiding aan te brengen tussen geloof en kennis. Religie was in hun ogen de meest efficiënte manier om het gewone volk te bereiken: zij lazen geen theologische of filosofische verhandelingen, maar gingen wel regelmatig naar de kerk. Door zich voor een groot deel aan te passen aan de heersende religieuze opvattingen konden spinozisten een carrière maken in de kerk en ondertussen de gelovigen leren hoe zij zelf hun verstand konden gebruiken om tot kennis en begrip van de natuur te komen.26 Op deze manier konden theologen die kritisch stonden tegenover (aspecten) van de religieuze orde zich toch vereenzelvigen met hun beroep als predikant. Het gegeven dat een gewone dominee een heimelijke spinozist kon zijn, die vanaf de kansel ketterijen kon verkondigen, was precies de reden waarom men het nog lang na Spinoza’s dood nodig vond voor zijn ideeën te waarschuwen.

Spinozisten en republicanisme

Spinoza was een sterke proponent van de democratische republiek.27 Ondanks het gegeven dat de Republiek der Verenigde Provinciën waarin hij woonde niet democratisch was, maar oligarchisch, ondersteunde hij het antiorangistische bewind van de raadspensionaris Johan de Witt (1625-1672) – hij was dus, in zekere zin, pragmatisch.28 Ook na Spinoza’s dood in 1677 bleven republikeinse gevoelens behouden in de Republiek; de revolutie die er in 1747 plaatsvond combineerde sympathieën voor de stadhouders met een anti-oligarchische democratische insteek: de stadhouder moest de hoeder van een democratische republiek worden.29 Margaret Jacob zoekt de oorsprong van dit politieke bestel bij radicale Verlichtingsdenkers, maar vreemd genoeg noemt ze hierbij niet Spinoza – een Nederlandse theoreticus van de democratische republiek – maar Engelse filosofen en gedachten, wellicht gemengd met wat continentaal materialisme en Hugenootse verzetstheorieën.30 Zelfs Israel gaat hier niet expliciet tegen in – hij beschouwt de revolutie van 1747 als een grote mislukking die door niet-Nederlandse tijdgenoten volkomen verkeerd geïnterpreteerd werd en die geen echte spinozistische kenmerken vertoonde, omdat het spinozisme reeds succesvol onderdrukt was.31

Israel geeft als oorsprong van het republicanisme van Spinoza het politieke bedrijf van de Republiek en de invloed van politieke denkers als Hobbes, de gebroeders de La Court en Machiavelli.32 Sterker nog, hij ziet dit Nederlandse republicanisme in haar algemeenheid als belangrijker voor de ontwikkeling van westerse democratische waarden, terwijl de traditionele historiografie Groot-Brittannië aanwijst als voornaamste inspiratiebron. Het verschil met het Engelse republicanisme is, volgens Israel, groot. Waar de Britse eilanden een voornamelijk agrarische samenleving waren met een sterke plattelands gentry, was de Republiek sterk verstedelijkt en niet afhankelijk van de boerenbevolking en de grootgrond-bezitters voor de voedselvoorziening. Daar bovenop komt het gegeven dat men in Engeland na de bloedige burgeroorlogen van het midden van de zeventiende eeuw bang was een te grote politieke macht aan één instelling te geven: men zag een balans tussen koning en parlement als noodzakelijk om de rust te waarborgen. In de Republiek waren zulke traumatische ervaringen grotendeels achterwege gebleven en stond het filosofen en theoretici vrij te speculeren over een land zonder heerser.33 Hierin speelde Spinoza volgens Israel een centrale rol, maar een duidelijke link tussen zijn filosofie en de praktijk wordt niet aangetoond.

Ook Wijnand Mijnhardt heeft recentelijk kritiek geuit op de historische beeldvorming omtrent de ontwikkeling van het republicanisme.34 Net als Israel is hij van mening dat Engelse politieke theorie niet afdoende verklaring biedt voor het republicanisme. Maar in sterke tegenstelling tot Israel wijst hij erop dat men niet alleen moet kijken naar andere politieke theorieën, maar juist naar de historische politieke praktijk. Grote denkers waren niet de enige inspiratiebron voor filosofen en politici: zij keken ook naar buurlanden met andere politieke systemen, zeker waar die, zoals de Republiek der Verenigde Provinciën, uitermate succesvol en competitief bleken te zijn.35 In zijn artikel onderzoekt hij onder andere hoe de Amerikaanse vrijheids-strijders zich lieten inspireren door de Nederlandse Opstand. De twee conflicten werden door de Amerikanen als gelijkwaardig beschouwd en lange tijd sympathiseerde men dan ook sterk met de dappere Hollanders; in de jaren ’20 van de twintigste eeuw verloor men echter de interesse, zodat de Nederlandse inspiratie vergeten werd en men zich alleen de Brits-Amerikaanse connectie herinnerde.36 De vormende rol van Spinoza bij de ontwikkeling van het democratische gedachtegoed lijkt dus beperkt.

Een spinozistische Verlichting?

Wat is Verlichting? Al veel historici, filosofen en anderen hebben zichzelf deze vraag gesteld. Jonathan Israel heeft in de laatste jaren geprobeerd een nieuw antwoord op die vraag te formuleren, die zich niet alleen op de achttiende eeuw, maar ook op de zeventiende eeuw richt. Dat zijn positie niet onomstreden is, moge duidelijk zijn; wel heeft zij het historische debat een nieuwe en verfrissende dimensie gegeven, die een stukje geschiedenis dat lang gemarginaliseerd is geweest van een andere kant laat zien, namelijk het spinozisme. In dit artikel heb ik niet gepoogd de Verlichtingsvraag te beantwoorden, maar om Israels hoofdlijn – het spinozisme – vanuit een aantal verschillende invalshoeken te benaderen, met behulp van recente academische publicaties. Immers, als de radicale Verlichting voor een groot deel zou zijn voort gekomen uit het spinozisme, is het noodzakelijk om te weten wat dat spinozisme precies inhoudt. Ook deze vraag is echter niet eenvoudig te beantwoorden.

Het spinozisme is in dit artikel uit de hoek gekomen als een moeilijk grijpbaar fenomeen. Geïnspireerd door Spinoza waren de spinozisten in zekere mate, wisselend van persoon tot persoon en van tijd tot tijd. Sommigen hadden Spinoza persoonlijk gekend, anderen hadden slechts zijn werken gelezen en nog weer anderen moesten het doen met aftreksels daarvan, waaronder Pierre Bayles artikel over Spinoza in zijn Dictionnaire historique et critique (1697).37 Zij hadden een sterke waardering voor de rede, waren kritisch naar religieuze dogma’s en waren ook vaak pantheïstisch of zelfs atheïstisch. Het republicanisme was voor een grote groep van hen de ideale regeringsvorm. Velen van hen moesten moeite doen om hun persoonlijke voorkeur af te schermen van de religieuze wereld waar zij een deel van uit maakten of waar zij soms zelfs werkzaam in waren – niet noodzakelijkerwijs omdat zij zelf vijandig stonden naar het geloof toe, maar omdat hun visies door orthodoxe theologen als uiterst gevaarlijk en compleet onacceptabel werden beschouwd. Zij vormden een diverse groep die een bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van een aantal Verlichtingsconcepten.

Door hun diversiteit is deze groep ook zo interessant: hun worstelingen met persoonlijke en theologische vraagstukken demonstreren dat een rigide groepering van deze mensen moeilijk te handhaven is. Was Frederik van Leenhof bijvoorbeeld naast christen ook spinozist, en Petrus van Balen naast spinozist ook christen? Het is lastig of eigenlijk onmogelijk hier een sluitend antwoord op te geven, en het is gemakkelijk om andere groepen die een belangrijke bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de rede, zoals cartesianen, hierbij uit het oog te verliezen. Spinozisten waren gericht op het vrije gebruik van de rede, maar zij waren hierin niet uniek. Door de rede toe te passen op traditioneel streng afgeschermde onderwerpen, zoals religie en dan met name het bestaan van God en de juistheid van de Bijbel, gingen zij veel verder dan hun tijdgenoten acceptabel vonden. Dit heeft ervoor gezorgd dat zij veel meer in de schijnwerpers stonden dan meer gematigde denkers, maar het heeft hen geen intellectueel monopolie opgeleverd op het erfgoed van de Verlichting.

Er schuilt nog een ander gevaar in de simplificering van het spinozisme zoals Israel die toepast. Door een scherpe scheiding aan te brengen tussen ongelovige spinozisten en minder kritische gematigde Verlichtingsdenkers gaat de nuance van veel spinozistische of vermeend spinozistische denkers verloren. Van Leenhof, door Israel aangewezen als een bevlogen spinozist en dus eigenlijk atheïstisch,38 was naar eigen zeggen religieus en uitte zijn geloof in God op een veel duidelijkere manier dan zijn wel of niet bestaande spinozisme. Israel accepteert impliciet dus de veroordeling van Van Leenhof door orthodoxe christenen: wie op een spinozistische manier denkt, kan niet anders dan ongelovig zijn of dat op den duur worden. Dit lijkt mij een gevaarlijke en sterk vooringenomen positie die de werkelijke personen voor een groot deel monddood maakt en de historische complexiteit schade berokkent.

Literatuurlijst

Voor het gemak van de lezer zijn alle werken die in de noten genoemd worden in deze literatuurlijst opgenomen, inclusief dus werken waar alleen naar verwezen wordt maar die niet voor dit onderzoek zijn geraadpleegd.

  • Bosch, Roel, En nooit meer oude psalmen zingen. Zingend geloven in een nieuwe tijd 1760-1810 (Zoetermeer 1996)

  • Eijnatten, Joris van en Lieburg, Fred van, Nederlandse religiegeschiedenis (tweede druk; Hilversum 2006).

  • Hazard, Paul, Crise de la conscience européenne (Parijs 1935).

  • Israel, Jonathan, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall 1477-1806 (herziene druk; New York en Oxford 1998).

  • Israel, Jonathan, Enlightenment Contested. Philosophy, Modernity, and the Emancipation of Man 1670-1752 (Oxford 2006).

  • Israel, Jonathan, Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 (Oxford en New York 2001).

  • Israel, Jonathan, ‘Replying to Hanco Jürgens’, De Achttiende Eeuw 39 (2007) 61-71.

  • Jacob, Margaret, The Radical Enlightenment: Pantheists, Freemasons and Republicans (London etc. 1981).

  • Jürgens, Hanco, ‘Contesting Enlightenment Contested. Some questions and remarks for Jonathan Israel’, De Achttiende Eeuw 39 (2007) 52-60.

  • Krop, Henri, ‘Eenheid in verscheidenheid. Nieuwe visies op de (Nederlandse) Verlichting’, De Achttiende Eeuw 37 (2005) 53-68.

  • May, Henry, The Enlightenment in America (New York 1976).

  • Mijnhardt, Wijnand, ‘The Limits of Present-day Historiography of Republicanism’, De Achttiende Eeuw 37 (2005) 75-89.

  • Venturi, Franco, Settecento Riformatore I-VII (Turijn 1969–1984).

  • Vermij, Rienk, ‘Jacob Leydekker, een bedroefde christenleraar over het spinozisme’ in: Ernestine van der Wal en Leo Wessels ed., Een veelzijdige verstandhouding. Religie en Verlichting in Nederland 1650-1850 (Nijmegen 2007) 96-108.

  • Wade, Ira, The Clandestine Organization and Diffusion of Philosophic Ideas in France from 1700 to 1750 (Princeton 1938).

  • Wielema, Michiel, The March of the Libertines. Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-1750) (Hilversum 2004).

Noten

1 Jonathan Israel, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall 1477-1806 (herziene druk; New York en Oxford 1998) 350; Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (tweede druk; Hilversum 2006) 214 geeft 1669 als het jaar van uitgave.

2 Jonathan Israel, Enlightenment Contested. Philosophy, Modernity, and the Emancipation of Man 1670-1752 (Oxford 2006) 34.

3 Jonathan Israel, ‘Replying to Hanco Jürgens’, De Achttiende Eeuw 39 (2007) 61-71, aldaar 66-67.

4 Paul Hazard, Crise de la conscience européenne (Parijs 1935).

5 Ira Wade, The Clandestine Organization and Diffusion of Philosophic Ideas in France from 1700 to 1750 (Princeton 1938).

6 Franco Venturi, Settecento Riformatore I-VII (Turijn 1969–1984).

7 Henry May, The Enlightenment in America (New York 1976).

8 Margaret Jacob, The Radical Enlightenment: Pantheists, Freemasons and Republicans (London 1981).

9 Jonathan Israel, Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 (Oxford en New York 2001).

10 Israel, Enlightenment Contested 58-60.

11 Israel, Radical Enlightenment vi.

12 Israel, Enlightenment Contested 57.

13 Israel, Replying to Hanco Jürgens 70; Michiel Wielema, The March of the Libertines. Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-1750) (Hilversum 2004) 80.

14 Rienk Vermij, ‘Jacob Leydekker, een bedroefde christenleraar over het spinozisme’ in: Ernestine van der Wal en Leo Wessels ed., Een veelzijdige verstandhouding. Religie en Verlichting in Nederland 1650-1850 (Nijmegen 2007) 96-108 aldaar 104.

15 Vermij, Jacob Leydekker 97.

16 Jacob, Radical Enlightenment 52.

17 Ibidem, 53.

18 Israel, Enlightenment Contested 48-49.

19 Ibidem, 44-45.

20 Roel Bosch, En nooit meer oude psalmen zingen. Zingend geloven in een nieuwe tijd 1760-1810 (Zoetermeer 1996) 215, n. 11.

21 Israel, Enlightenment Contested 43.

22 Wielema, The March of the Libertines 95.

23 Bijvoorbeeld Jolanda Breur, Waarom Klaas Hendrikse als dominee zijn pensioen haalt (Trouw, 6 juni 2008). Volgens dit artikel twijfelt één op de zes hedendaagse predikanten aan het bestaan van God.

24 Wielema, The March of the Libertines 119.

25 Ibidem, 105; Israel, Enlightenment Contested 246, stelt dat Van Leenhof een ‘ardent and systematic’ spinozist was.

26 Ibidem, 120-121.

27 Jacob, Radical Enlightenment 51.

28 Ibidem.

29 Ibidem, 239-240.

30 Ibidem, 240.

31 Israel, Enlightenment Contested 396-405.

32 Ibidem, 240-241.

33 Ibidem, 242-243.

34 Wijnand Mijnhardt, ‘The Limits of Present-day Historiography of Republicanism’, De Achttiende Eeuw 37 (2005) 75-89.

35 Ibidem, 78-79.

36 Ibidem, 84-85.

37 Israel, Enlightenment Contested 51.

38 Ibidem, 246.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Connecting to %s




Follow

Get every new post delivered to your Inbox.